Daar zit je dan. In je kekke pak dat je samen met je moeder hebt geshopt, terwijl je zorgvuldig hebt voorbereid wat je sterke punten zijn en je eventuele verbeterpunten. Jahoor, je zit te solliciteren! 'Kan ik misschien nog even gebruik maken van een toilet?', 'Eh, koffie alsjeblieft' & 'Ja, met geschiedenis kun je veel meer dan men in eerste instantie denkt!'. Je babbelt heen en weer, hebt je ingelezen in het bedrijf dus je weet wat je er interessant aan vindt, waarom je jezelf als nieuwe werknemer ziet en je weet ook al wat je gaat vragen aan het einde van het gesprek. Zij hebben zich op hun beurt over je CV en brief gebogen en bedacht wat ze van je willen weten om te bepalen of er wel of niet sprake is van een professionele match. Spanning en sensatie! En dan komt dat moment dat je voor het eerst even stilvalt. Er wordt gevraagd naar je hobbies... Hobbies!? Eh, die heb ik niet echt. Paniek slaat toe: want verder dan 'Normaal gesproken loop ik hard maar dat is al een tijdje niet echt meer gelukt' en 'Mijn vrienden zijn mijn hobby, ik drink graag een biertje enzo' kom ik opeens niet. Ik vergeet opeens mijn plezier in schrijven en fotograferen, in reizen en metroplattegronden. Het enige dat ik kan denken is: waarom punnik ik dan toch niet ofzo? Over concrete hobbyactiviteiten gesproken. Of dát nou echt geholpen zou hebben weet ik natuurlijk niet, maar één ding weet ik wel: het is de eerste keer in mijn leven dat ik er spijt van heb gehad niet op regelmatige basis te punniken! Misschien een leuke bezigheid in de trein op weg naar mijn nieuwe werk...
* Dank aan mijn tafelgenootjes vanavond voor deze quote!
donderdag 16 oktober 2008
donderdag 18 september 2008
Enkeltje onbeantwoord?
Ik vraag me wel eens af hoe het zou voelen. Wat voel je wanneer je een oproep voor jezelf in de Rails leest. En daar denk ik dus over na wanneer ik in een trein zit. Logischerwijs, want dat is zo'n moment dat je zelf ook naar andere mensen gluurt die langs je lopen of tegenover je komen zitten. En zeker toen ik een half jaar stage liep in Amsterdam en dus dagelijks in de trein zat en daadwerkelijk wel eens een Rails zag (op mijn sporadische treintochten van tegenwoordig zijn die dingen altijd spoorloos) vond ik die rubriek oproepjes altijd al het leukst om te lezen. Maar stel je voor dat je nu echt een oproep onder ogen krijgt aan jezelf gericht. Over mij zou vanavond misschien staan: 'ik vond je rode laarzen direct zo mooi', of 'ik vond dat jij -jonge vrouw met groene ogen en donkerbruin haar- zo beschaafd zachtjes praatte toen je telefoon kreeg'(best een wenselijk berichtje). Of vanavond misschien: 'Zelfs die donkere kringen onder je ogen waren bij jou nog een accessoire (twijfelachtige eer..). Maar nog meer vrees ik een danig bericht: 'Ik vond je zo schattig toen je met je mond open lag te slapen'. Hmm, ik weet het niet hoor, want wat doet iemand nou de stap zetten een berichtje te plaatsen? Dan voelde je tijdens die 20 minuten naar Alphen of het half uurtje tussen Breukelen en Utrecht wel echt een megaconnectie. Maar goed, volgende vraag: zou je erop antwoorden? Zou je willen weten wie de moeite heeft genomen die oproep te plaatsen, of knal je het berichtje op je prikbord en laat je het daarbij. Een vraag waar ik niet over na hoef te denken, maar vanavond wederom wel een prima slaapmiddel in de trein bleek!
zondag 14 september 2008
Not born to play with
Terwijl ik plichtsgetrouw de rode lijn op de vloer volgde vroeg ik mij af of de mensen in de wachtkamer de geluiden ook zo luid en duidelijk hoorden. De combinatie van de piepende rolstoel en het geklik van de hakken van mij en mijn zaterdagavond-onveiligmaak-compagnon klonk mij nogal hard in de oren. En dat ik een omgeving waar de spanning sowieso om te snijden was. Wij hadden ons dan ook voorbereid op een avondje Rapenburg concert en niet -waar wij eindigden- een avondje zitten in de wachtkamer van de EHBO in het LUMC. En, nu wil ik het niet als tip van de week meegeven omdat het zo enig is, maar als je nou eens echt mensen wilt kijken... Dan moet je toch echt in zo'n wachtkamer zijn. Echt, Utrecht Centraal bij het Trefpunt vlaggetje is er niets bij. En dan niet omdat het zo fijn is om mensen in pijn te zien: dat is weer een iets minder aspect aan het geheel. Maar wel als je mensen hun aard wilt zien tonen: rustig wachten of stennis schoppen?
Nu gingen wij op pad met vriendinnetje P. die een serieuze put in haar been geslagen had tijdens een val en die nog serieuzere pijn leed. Pijn is niet fijn, maar alsnog zaten wij er redelijk ontspannen bij. Temeer omdat wij voor vertrek naar het ziekenhuis de eerstehulp-meldlijn hadden gebeld. En dát, dames en heren, is dus wel de tip van de week! Altijd bellen en een afspraak maken, want dan wacht je aanzienlijk minder lang. Maar bereid je dan ook wel voor op flink oplopende spanningen. Want dan zijn er dus mensen die al iets langer zitten te wachten en wellicht wel meer pijn voelen. Wat moeilijk te bewijzen valt, maar zij voelen nu eenmaal alleen hun eigen pijn en ja, die is aanwezig. Zo ook bij meneer X, rechts van ons gezeten in de wachtkamer. De vriend van meneer X baarde ons al meteen meer zorgen. Met een serieus gezicht keek hij af en toe intimiderend de wachtkamer rond, daarbij zorgend dat zijn nek goed zichtbaar was. Die was namelijk gesierd met -alsof we die hadden kunnen missen- een tatoeage Not born to play with. Tijdens het wachten zat ik te bedenken ter ere waarvan de beste man deze ruige tekst had laten plaatsen. Was dit in huwelijkscontext geweest, of misschien terwijl hij terugdacht aan de talloze keren dat hij aan het schoolhek was gehangen met zijn rugzak? Hoe dan ook, hij deed zijn best de boodschap op zijn nek te onderstrepen met zijn blik. Terwijl de bult op de enkel van zijn vriend met de minuut leek te groeien, werd na een uur de naam van vriendin P. omgeroepen. Zij bekeek nog even angstig haar opties, maar langs meneer X en zijn vriend was toch echt de kortste weg richting degene die haar naam riep. En ach, op de EHBO waren we toch al. Ze wist veilig langs X en co te strompelen, maar er werd door ons toch even de adem ingehouden.
Ik ben toch benieuwd hoe vaak er gevechten uitbreken in die wachtkamers.. Het stel rechts achter ons kon nog wel lachen samen: 'ja schat, dat is dus echt de laatste keer dat jij gefrituurd hebt, dat doe ik in t vervolg wel'. De ouders van de dame linksachter ons waren iets minder supportive toen ze naar hun dochter toesnelden, die al enige tijd zat te wachten: 'Wat heb je nú weer?'. Er zaten ook mensen rustig te wachten, de pijn zoveel mogelijk negerend. Maar verder werd overal rondom ons flink gemopperd, gesist dat ze anders zelf wel even zouden hechten (waarom zit je er dan?), en ruziegemaakt door begeleidende partners en slachtoffers. Crisissituaties laten nu eenmaal een heleboel dingen wegvallen, totdat iemands basis gevoel en houding over blijven. Hoe die dan geuit worden is een tweede, maar gelukkig had het in dit geval niet tot resultaat dat wij werden gelyncht. Uiteindelijk vertrokken we: P. een injectie rijker en wij allen een opluchting rijker. Hoe lang het geduurd heeft voordat de Not born to play with -meneer geholpen werd, weet ik niet. Ik las de dagen erna in de regionale bladen in ieder geval niets over een vechtpartij. Misschien had iedereen dan toch het advies uit zijn nek opgevolgd.
Nu gingen wij op pad met vriendinnetje P. die een serieuze put in haar been geslagen had tijdens een val en die nog serieuzere pijn leed. Pijn is niet fijn, maar alsnog zaten wij er redelijk ontspannen bij. Temeer omdat wij voor vertrek naar het ziekenhuis de eerstehulp-meldlijn hadden gebeld. En dát, dames en heren, is dus wel de tip van de week! Altijd bellen en een afspraak maken, want dan wacht je aanzienlijk minder lang. Maar bereid je dan ook wel voor op flink oplopende spanningen. Want dan zijn er dus mensen die al iets langer zitten te wachten en wellicht wel meer pijn voelen. Wat moeilijk te bewijzen valt, maar zij voelen nu eenmaal alleen hun eigen pijn en ja, die is aanwezig. Zo ook bij meneer X, rechts van ons gezeten in de wachtkamer. De vriend van meneer X baarde ons al meteen meer zorgen. Met een serieus gezicht keek hij af en toe intimiderend de wachtkamer rond, daarbij zorgend dat zijn nek goed zichtbaar was. Die was namelijk gesierd met -alsof we die hadden kunnen missen- een tatoeage Not born to play with. Tijdens het wachten zat ik te bedenken ter ere waarvan de beste man deze ruige tekst had laten plaatsen. Was dit in huwelijkscontext geweest, of misschien terwijl hij terugdacht aan de talloze keren dat hij aan het schoolhek was gehangen met zijn rugzak? Hoe dan ook, hij deed zijn best de boodschap op zijn nek te onderstrepen met zijn blik. Terwijl de bult op de enkel van zijn vriend met de minuut leek te groeien, werd na een uur de naam van vriendin P. omgeroepen. Zij bekeek nog even angstig haar opties, maar langs meneer X en zijn vriend was toch echt de kortste weg richting degene die haar naam riep. En ach, op de EHBO waren we toch al. Ze wist veilig langs X en co te strompelen, maar er werd door ons toch even de adem ingehouden.
Ik ben toch benieuwd hoe vaak er gevechten uitbreken in die wachtkamers.. Het stel rechts achter ons kon nog wel lachen samen: 'ja schat, dat is dus echt de laatste keer dat jij gefrituurd hebt, dat doe ik in t vervolg wel'. De ouders van de dame linksachter ons waren iets minder supportive toen ze naar hun dochter toesnelden, die al enige tijd zat te wachten: 'Wat heb je nú weer?'. Er zaten ook mensen rustig te wachten, de pijn zoveel mogelijk negerend. Maar verder werd overal rondom ons flink gemopperd, gesist dat ze anders zelf wel even zouden hechten (waarom zit je er dan?), en ruziegemaakt door begeleidende partners en slachtoffers. Crisissituaties laten nu eenmaal een heleboel dingen wegvallen, totdat iemands basis gevoel en houding over blijven. Hoe die dan geuit worden is een tweede, maar gelukkig had het in dit geval niet tot resultaat dat wij werden gelyncht. Uiteindelijk vertrokken we: P. een injectie rijker en wij allen een opluchting rijker. Hoe lang het geduurd heeft voordat de Not born to play with -meneer geholpen werd, weet ik niet. Ik las de dagen erna in de regionale bladen in ieder geval niets over een vechtpartij. Misschien had iedereen dan toch het advies uit zijn nek opgevolgd.
zondag 10 augustus 2008
Hoofdbrekens
Terwijl de trein langzaam optrekt en station Alphen aan den Rijn achter zit laat, zak ik weer weg in mijn gedachten. Gedachten die nu al enige tijd in een onophoudelijke stroom het Tikibad glijbanenparadijs naspelen in mijn hersenpan. Een hersenpan die daar momenteel een beetje oververhit van raakt. Ik zie mezelf niet zo graag in een clichématige 'fase' passen, dat klinkt altijd alsof je zelf niets in de melk te brokkelen hebt. En ik vind het woord crisis ook wel erg heftig. Maar als ik het rijtje nog eens langsga... Constant moe? Check. Veel nadenken? Check. (Voor mijn systeem niets nieuws, maar dat telt even niet). De Toekomst angstaanjagend dichtbij gekomen? Check. Niet goed weten wat ik precies wil? Check. Het eigenlijk best wel goed weten maar niet in beweging durven komen? Ik roep nog net iets overtuigender check. Quarterlife crisis. Van het woord moet ik spugen en zie ik terstond mensen op blokjeskaas- feestjes elkaar aanstoten en ginnegappen dat dat bij de leeftijd hoort. Maar het lijkt er toch verdraaid veel op dat ik er 'zo eentje' geworden ben. Zo eentje die over twee weken afstuderen gaat. Zo eentje die op de drempel van iets nieuws staat. En dan dus eentje met Bindingsangst. Niet zozeer op romantisch vlak (daar heb ik de bindingsangst nog niet gesignaleerd in ieder geval, maar dat kan ook aan de in-activiteit van desbetreffend terrein liggen). Neen, ik heb Ik-Ben-Starter-Bindingsangst. Ik sta te trappelen om met iets nieuws te beginnen, en bedenk van tijd tot tijd de wildste plannen. Om daarna nog eens extra diep in mijn kop thee weg te kruipen en de boel de boel te laten. Toffe toekomst ok, maar nu even niet. Maar, als het nou bij onzekerheid over mijn toekomst zou blijven, dan is het probleem snel te isoleren en gedeeltelijk uit te schakelen: een hardere schop onder mijn derrière en ik heb heus wel wat brieven geschreven en een stap gezet.
Maar zoals de schrijfster van het boek dat ik dit weekend verslond zich iets afvroeg terwijl ze bovenop een berg in Tibet zat, zo stelde ik mijzelf een dezer dagen toevallig dezelfde vraag. Wie.ben.ik? Op een moment zoals het huidige, blijk ik toch weer extreem gevoelig voor existentiële vraagstukken en twijfels. Het Leven, daar heb je het thema weer. Dat over altijd iets in de melk te brokkelen willen hebben, daarvan ben ik er inmiddels wel achter dat het zo niet werkt. Er gebeuren dingen, dingen die je niet voorzien hebt. In sommige gevallen is dat maar goed ook, doordat je ze in al hun heftigheid ook liever niet langzaam had willen zien opdoemen. Maar ze slaan nog steeds met een megaimpact in, vlak naast je hoofd. Maar vooral midden in je hart. En door dingen ga je nadenken. Wie ben ik, wat heeft het leven voor mij in petto en wat heb ik voor het leven in petto? Wat wil ik eruit halen en met welke mensen dichtbij me doe ik dat het liefst? Want van mijn Toekomst ben ik dan wel de hoofdpersoon, ik zie mezelf toch niet graag tot in den treure een solopartij spelen. Het belang van vriendschappen heb ik me ook al eens goed gerealiseerd door een half jaar weg te zijn, ook tijdens deze vragenuurtjes in mijn hoofd bedenk ik me des te meer dat die vrienden er gelukkig zijn.
Als hulp in tijden van organisatorische en emotionele nood is er gelukkig altijd een methode om Het Antwoord niet verder van je weg te zien drijven: lijstjes maken. En een sessie hardlopen met de papa in Bennekomse bossen doet ook wonderen. Eindresultaat: ik zit met beginnende spierpijn, een grote kop thee en fijne muziek op een lijstje te maken. Een lijstje van de zaken die ik deze week echt even moet regelen. En de Grote Toekomstvragen? Ik heb besloten die nog lekker even toekomstmuziek te laten. Mijn werk in het fijnste café van Leiden geeft me de financiële middelen die ervoor zorgen geen acute stress bij het einde tijdperk IBG te voelen én bieden bovendien een invulling aan mijn enigzins lege dagen. En over een jaar of dertig prik ik nog een blokje kaas weg en zeg ik tegen een neefje of nichtje: "Ach, toen ik jouw leeftijd had, had ik er ook last van. Het goede nieuws is dat het wel weer over gaat." En hoe ik dan precies tot die wijsheid ga komen, dat merk ik gaandeweg wel.
Maar zoals de schrijfster van het boek dat ik dit weekend verslond zich iets afvroeg terwijl ze bovenop een berg in Tibet zat, zo stelde ik mijzelf een dezer dagen toevallig dezelfde vraag. Wie.ben.ik? Op een moment zoals het huidige, blijk ik toch weer extreem gevoelig voor existentiële vraagstukken en twijfels. Het Leven, daar heb je het thema weer. Dat over altijd iets in de melk te brokkelen willen hebben, daarvan ben ik er inmiddels wel achter dat het zo niet werkt. Er gebeuren dingen, dingen die je niet voorzien hebt. In sommige gevallen is dat maar goed ook, doordat je ze in al hun heftigheid ook liever niet langzaam had willen zien opdoemen. Maar ze slaan nog steeds met een megaimpact in, vlak naast je hoofd. Maar vooral midden in je hart. En door dingen ga je nadenken. Wie ben ik, wat heeft het leven voor mij in petto en wat heb ik voor het leven in petto? Wat wil ik eruit halen en met welke mensen dichtbij me doe ik dat het liefst? Want van mijn Toekomst ben ik dan wel de hoofdpersoon, ik zie mezelf toch niet graag tot in den treure een solopartij spelen. Het belang van vriendschappen heb ik me ook al eens goed gerealiseerd door een half jaar weg te zijn, ook tijdens deze vragenuurtjes in mijn hoofd bedenk ik me des te meer dat die vrienden er gelukkig zijn.
Als hulp in tijden van organisatorische en emotionele nood is er gelukkig altijd een methode om Het Antwoord niet verder van je weg te zien drijven: lijstjes maken. En een sessie hardlopen met de papa in Bennekomse bossen doet ook wonderen. Eindresultaat: ik zit met beginnende spierpijn, een grote kop thee en fijne muziek op een lijstje te maken. Een lijstje van de zaken die ik deze week echt even moet regelen. En de Grote Toekomstvragen? Ik heb besloten die nog lekker even toekomstmuziek te laten. Mijn werk in het fijnste café van Leiden geeft me de financiële middelen die ervoor zorgen geen acute stress bij het einde tijdperk IBG te voelen én bieden bovendien een invulling aan mijn enigzins lege dagen. En over een jaar of dertig prik ik nog een blokje kaas weg en zeg ik tegen een neefje of nichtje: "Ach, toen ik jouw leeftijd had, had ik er ook last van. Het goede nieuws is dat het wel weer over gaat." En hoe ik dan precies tot die wijsheid ga komen, dat merk ik gaandeweg wel.
woensdag 16 juli 2008
Één taal is geen taal
Wanneer is iets je eigen taal? Na een jaarlang communiceren in het Engels, bij tijd en wijle Frans en bijna nog minder regelmatig in het Nederlands, zit in het Nederlands denken er niet meer in. Dromen gebeurt ook in het Engels; zelfs de cover van het blad dat de vrouw in mijn droom naast mij leest is in het Engels. Ja, zo gedetailleerd droom ik nu eenmaal, met covers, snoepverpakkingen en verkeersborden en al. Overschakelen gaat zo snel dat ik bij een Frans restaurantje in Oxford L'assiette gourmande, s’il vous plaît bestel. Begin je in het Frans, maak ik het Frans af. Dat is altijd beter nog dan de wijnkaart die ik bij een ander restaurant aantrof met de verwarrende Pink wines, maar dat terzijde. Feit blijft dat al die taalwisselingen verwarrend zijn en een interessant-doenerij-effect op mensen hebben dat niet terecht is. Mijn eigen taal, waarmee ik dan toch het Nederlands bedoel, is niet meer wat het geweest is. Ik ben altijd al een ster geweest in het mengen van onderdelen uit verschillende uitdrukkingen (dat gaat dan nog) of (nog ernstiger) het verzinnen van frases die slechts opgetrokken wenkbrauwen tot resultaat hebben. Maar zeg nou zelf, hoe zou jij kijken als iemand tegen je zou zeggen "Driemaal is scheepswerf"? Als ze daarna ook nog eens verbouwereerd kijkt omdat ze doorheeft dat er iets niet in de haak is, maar wat precies bevat ze niet. Ik zou ook een wenkbrauw optrekken. Maar goed, dit buitenlandverblijf heeft er nog een schepje bovenop gedaan. Ik denk nog steeds in het Engels, en deze deformatie zorgt ervoor dat ik tegenwoordig zinnen uitspreek die niet lopen, waarvan de volgorde beroerd is of de uitspraak te Engels is. En nog erger is het dat ik regelmatig de zonde bega van het verhalen overgieten met Engelse zinsneden. The You know's zijn gelukkig van de lucht, maar ik betrap mezelf wel op Basically, fair enough, oh dear. Gaat vast weer weg.
En zo kwam ik er binnen een week na thuiskomst ook nog eens achter dat ik in het buitenland ook nog eens een beroerde kennis van mijn eigen taal heb verspreid. Het scheelt dat de pupil in kwestie het niet zal weten als ik hem slecht Nederlands aanleer, maar toch voelt het didactisch niet verantwoord. Zo stond ik op een feestje van mastergenoten van een vriendin in Oxford en raakte ik in gesprek met een half-Nederlandse jongen. Hij wist een liedje voor zich uit te hummen waarbij hij van mij graag de tekst zou horen. Zes paar ogen in het keukentje waren op mij als Echte Nederlander gericht. Een kinderliedje, dat zou kinderspel moeten zijn. En dus maakte ik er maar iets van. Net zoiets als die "Driemaal scheep eh driewerf hoera?"-mix up merkte ik zelf direct dat er iets niet in de haak was. Maar ik kon het niet laten blijken. Want als ik nu nog aan die Britten en Amerikanen uitmoest gaan leggen dat ik ze een liedje heb geleerd over een Hansje Brokken en dat brokken eigenlijk iets heel anders betekent en dus ook niet de echte tekst niet is...Het was al erg genoeg dat ik de etymologische achtergrond van het liedje niet uit kon leggen.
Ik nam nog een extra slok bier en babbelde lekker door. In het Engels. Oh dear. Wat betekent het om een moedertaal te hebben? Als ik die taal momenteel niet zo goed spreek als ik zou willen én ik nog steeds droom in een andere taal? Hoop dat dit niet betekent dat ik mijn Nederlanderschap moet gaan verdedigen. Gelukkig is mijn afstudeerexamen lekker in het Engels...
En zo kwam ik er binnen een week na thuiskomst ook nog eens achter dat ik in het buitenland ook nog eens een beroerde kennis van mijn eigen taal heb verspreid. Het scheelt dat de pupil in kwestie het niet zal weten als ik hem slecht Nederlands aanleer, maar toch voelt het didactisch niet verantwoord. Zo stond ik op een feestje van mastergenoten van een vriendin in Oxford en raakte ik in gesprek met een half-Nederlandse jongen. Hij wist een liedje voor zich uit te hummen waarbij hij van mij graag de tekst zou horen. Zes paar ogen in het keukentje waren op mij als Echte Nederlander gericht. Een kinderliedje, dat zou kinderspel moeten zijn. En dus maakte ik er maar iets van. Net zoiets als die "Driemaal scheep eh driewerf hoera?"-mix up merkte ik zelf direct dat er iets niet in de haak was. Maar ik kon het niet laten blijken. Want als ik nu nog aan die Britten en Amerikanen uitmoest gaan leggen dat ik ze een liedje heb geleerd over een Hansje Brokken en dat brokken eigenlijk iets heel anders betekent en dus ook niet de echte tekst niet is...Het was al erg genoeg dat ik de etymologische achtergrond van het liedje niet uit kon leggen.
Ik nam nog een extra slok bier en babbelde lekker door. In het Engels. Oh dear. Wat betekent het om een moedertaal te hebben? Als ik die taal momenteel niet zo goed spreek als ik zou willen én ik nog steeds droom in een andere taal? Hoop dat dit niet betekent dat ik mijn Nederlanderschap moet gaan verdedigen. Gelukkig is mijn afstudeerexamen lekker in het Engels...
vrijdag 11 juli 2008
Thuiskomst
Na het afgelopen half jaar in verschillende steden, landen en vanzelfsprekend dus ook verschillende huizen te hebben gewoond heb ik mijn kunnen wel bewezen van het snel wennen op een nieuwe stek. Toen ik terugkwam naar Leiden dacht ik dat deze intrek dus een eitje zou worden. Als ik er al twee maal in wildvreemde omgeving in geslaagd was me na twee dagen ergens thuis te voelen, dan moest het in mijn eigen huis toch wel sneller kunnen. Niets is minder waar.
Na terugkeer (met een vertraging van 2 uur, doorgebracht zittende in een stilstaand vliegtuig) en ontvangst van mijn sleutels uit handen van Zus was het moment daar. Ik draaide de sleutel in het slot en stapte na een half jaar mijn eigen huis weer in. Verkerend in een stuk stoffigere staat, veroozaakt door de verbouwing door mijn huisbaas. Vol verwachting klopte mijn hart toen ik mijn kamerdeur opende. Ik herkende het nog. Mijn spullen stonden er nog. Maar toch voelt het anders als er een half jaar iemand anders in je domein heeft gewoond. Je thuis is toch letterlijk je terugvalbasis, de plek waar je je terugtrekt om tot jezelf te komen. En als iemand anders dat dan heeft gedaan op diezelfde plek met een nogal andere leefstijl, dan is dat best een vreemd gevoel. De oplossing voor orde freaks zoals ikzelf is dan dus het letterlijk naar buiten vegen van andermans aura. Een half jaar mocht het haar thuis zijn, nu was het mijn beurt weer. En dus sloeg ik aan het luchten, schoonmaken en schuiven met meubels. En langzaam zag ik mezelf weer terugkomen. De meubels zette ik wel anders neer dan voorheen, om een gevoel te voorkomen dat ik terug bij af ben. Mijn avontuur is ten einde, en mijn kamer moet nu mijn thuisbasis weer worden, om klaar te zijn voor de nieuwe avonturen die op komst zijn. Het ophangen van mijn foto's en het schoonmaken hielpen al enorm. Maar wat hielp me deze week gek genoeg het meest om me weer thuis te voelen?
Het langsstuiven van twee brandweerwagens toen ik op de Breestraat liep. Na een paar maanden Parijs en in mindere mate ook Oxford ben ik haast immuun geworden voor het geluid van sirenes. Ieder moment van de dag hoorde ik daar wel iets langsjammeren. Maar de Nederlandse sirenes hebben een ander effect op me, en hebben dat altijd al gehad. Allereerst is het geluid van Nederlandse sirenes voor mij veel herkenbaarder als signaal van een foute boel. Maar het is vooral het gevoel dat mij altijd direct bekruipt als ik sirenes hoor en de wagens zie rijden. Het gevoel van onheil bekruipt me en knijpt zachtjes mijn keel dicht. Dat had ik in Parijs en Oxford in veel mindere mate. En ondanks het feit dat ik me in beide steden ook meer dan thuis voelde, besefte ik me opeens een groot verschil toen ik verder zeulde met mijn boodschappen. In Leiden kijk ik altijd welke kant de wagens op rijden en bedenk dan direct welke vrienden van mij in die richting wonen. En dat geeft toch aan dat dit nu mijn echte thuis is. Ik liep door, liep mijn huis in en keek nog eens om mij heen. Mijn thuisbasis, compleet met foto's en kaarten van alle avonturen in Parijs en Oxford omdat die ook nog steeds mijn thuis een beetje zijn. Maar toch, nu voelde ik het. Ja, Marleen is weer thuis.
Na terugkeer (met een vertraging van 2 uur, doorgebracht zittende in een stilstaand vliegtuig) en ontvangst van mijn sleutels uit handen van Zus was het moment daar. Ik draaide de sleutel in het slot en stapte na een half jaar mijn eigen huis weer in. Verkerend in een stuk stoffigere staat, veroozaakt door de verbouwing door mijn huisbaas. Vol verwachting klopte mijn hart toen ik mijn kamerdeur opende. Ik herkende het nog. Mijn spullen stonden er nog. Maar toch voelt het anders als er een half jaar iemand anders in je domein heeft gewoond. Je thuis is toch letterlijk je terugvalbasis, de plek waar je je terugtrekt om tot jezelf te komen. En als iemand anders dat dan heeft gedaan op diezelfde plek met een nogal andere leefstijl, dan is dat best een vreemd gevoel. De oplossing voor orde freaks zoals ikzelf is dan dus het letterlijk naar buiten vegen van andermans aura. Een half jaar mocht het haar thuis zijn, nu was het mijn beurt weer. En dus sloeg ik aan het luchten, schoonmaken en schuiven met meubels. En langzaam zag ik mezelf weer terugkomen. De meubels zette ik wel anders neer dan voorheen, om een gevoel te voorkomen dat ik terug bij af ben. Mijn avontuur is ten einde, en mijn kamer moet nu mijn thuisbasis weer worden, om klaar te zijn voor de nieuwe avonturen die op komst zijn. Het ophangen van mijn foto's en het schoonmaken hielpen al enorm. Maar wat hielp me deze week gek genoeg het meest om me weer thuis te voelen?
Het langsstuiven van twee brandweerwagens toen ik op de Breestraat liep. Na een paar maanden Parijs en in mindere mate ook Oxford ben ik haast immuun geworden voor het geluid van sirenes. Ieder moment van de dag hoorde ik daar wel iets langsjammeren. Maar de Nederlandse sirenes hebben een ander effect op me, en hebben dat altijd al gehad. Allereerst is het geluid van Nederlandse sirenes voor mij veel herkenbaarder als signaal van een foute boel. Maar het is vooral het gevoel dat mij altijd direct bekruipt als ik sirenes hoor en de wagens zie rijden. Het gevoel van onheil bekruipt me en knijpt zachtjes mijn keel dicht. Dat had ik in Parijs en Oxford in veel mindere mate. En ondanks het feit dat ik me in beide steden ook meer dan thuis voelde, besefte ik me opeens een groot verschil toen ik verder zeulde met mijn boodschappen. In Leiden kijk ik altijd welke kant de wagens op rijden en bedenk dan direct welke vrienden van mij in die richting wonen. En dat geeft toch aan dat dit nu mijn echte thuis is. Ik liep door, liep mijn huis in en keek nog eens om mij heen. Mijn thuisbasis, compleet met foto's en kaarten van alle avonturen in Parijs en Oxford omdat die ook nog steeds mijn thuis een beetje zijn. Maar toch, nu voelde ik het. Ja, Marleen is weer thuis.
dinsdag 1 juli 2008
Summertime
Het zou in principe niet stressvol moeten zijn. Het zou ook eigenlijk geen stof tot nadenken moeten geven. Helemaal niks. Als je naar een park gaat om daar wat te liggen, lezen en zonnebaden, dan zou dat het toppunt van vakantiegevoel moeten zijn. Nu ging ik voor dat doeleinde op pad naar de University Parks, omgeving waar ik me normaal gesproken slechts hardlopend begeef. Dit keer ging ik om te chillen. Ik vind het persoonlijk altijd best een stressvol moment wanneer je besluit waar je je neer zult vlijen. Zoveel ruimte, het aanbod van plaatsen is enorm. Je wilt wel een beetje in de buurt van andere mensen zitten/liggen, maar niet te dichtbij. Omwille van hun privacy maar ook je eigen. Maar alleen gaan liggen is saai, iets hebben om naar te kijken is essentieel. Zoals een groep frisbee-ende jongelingen. Zolang je niet te dichtbij gaat liggen (omwille het risico van een plastic gevaarte snoeihard op je hoofd) is dat garantie van coolness op dat veldje en dus van niet-vervelen.
Vorige week bij inleveren van mijn scriptie verzuchtte ik graag deze hele week te willen doorbrengen met ontspannende activiteiten die geen enkele hersenactiviteit zouden vereisen. Vandaar deze uitstap naar het park. De zon scheen, ik was gewapend met zonnebrand, water, handdoek én een hersenloos boek. Op weg naar het park feliciteerde ik mezelf al even met het bereiken van het juiste niveau van voorbereiding. Dus daar ging ik. Slechts een paar dagen geleden leverde ik mijn scriptie in, nu ben ik al gewend aan het niets hoeven doen. En zelfs stilliggen kan ik nu! (Dat is ook nieuw, geloof me). Mijn enige uitstap vanuit het park was het ophalen van mijn hardcover versie van mn scriptie, donkerblauwe kaft met gouden letters. Om na dit korte nerd-intermezzo terug te keren voor een pique-nique met Fran, stokbrood, kaas en wijn. Lang leve de zomer!
Maar blijkbaar zijn die hersenen van mij zelfs dan niet makkelijk uit te schakelen. Het nadenken over locatie op het gras, wil ik slapen of wil ik lezen (ok, dat is niet echt een moeilijke vraag maar vereist toch enig wikken en wegen) en wat voor wijn drinken we bij de picknick, dat is nog best vermoeiend. Misschien de dag erna maar weer naar het park. Om bij te komen van dag 1. En dit keer probeer ik niet eens te stoppen met nadenken. Misschien ben ik op mijn best als ik een beetje voor me uit mijmer over allerhande zaken. Of wanneer ik slaap. Daar zou ik mijn geld persoonlijk op in zetten.
Vorige week bij inleveren van mijn scriptie verzuchtte ik graag deze hele week te willen doorbrengen met ontspannende activiteiten die geen enkele hersenactiviteit zouden vereisen. Vandaar deze uitstap naar het park. De zon scheen, ik was gewapend met zonnebrand, water, handdoek én een hersenloos boek. Op weg naar het park feliciteerde ik mezelf al even met het bereiken van het juiste niveau van voorbereiding. Dus daar ging ik. Slechts een paar dagen geleden leverde ik mijn scriptie in, nu ben ik al gewend aan het niets hoeven doen. En zelfs stilliggen kan ik nu! (Dat is ook nieuw, geloof me). Mijn enige uitstap vanuit het park was het ophalen van mijn hardcover versie van mn scriptie, donkerblauwe kaft met gouden letters. Om na dit korte nerd-intermezzo terug te keren voor een pique-nique met Fran, stokbrood, kaas en wijn. Lang leve de zomer!
Maar blijkbaar zijn die hersenen van mij zelfs dan niet makkelijk uit te schakelen. Het nadenken over locatie op het gras, wil ik slapen of wil ik lezen (ok, dat is niet echt een moeilijke vraag maar vereist toch enig wikken en wegen) en wat voor wijn drinken we bij de picknick, dat is nog best vermoeiend. Misschien de dag erna maar weer naar het park. Om bij te komen van dag 1. En dit keer probeer ik niet eens te stoppen met nadenken. Misschien ben ik op mijn best als ik een beetje voor me uit mijmer over allerhande zaken. Of wanneer ik slaap. Daar zou ik mijn geld persoonlijk op in zetten.
Abonneren op:
Posts (Atom)
